Vragen? Hulp nodig? Bel ons:
024 - 649 50 00

Home Nieuws Wet BeZaVa per 1 januari 2014

Wet BeZaVa per 1 januari 2014

WGA- en ZW-premies 2014: een totaal vernieuwde financieringssystematiek

Kleine werkgevers

Kleine werkgevers zijn werkgever met een loonsom van minder dan €  307.000,-

Tot nu toe werd de WGA-vast premie individueel gedifferentieerd. Ofwel: kleine werkgevers betalen voor de lasten van vaste werknemers die in de WGA terecht kwamen een individueel bepaalde premie die afhankelijk is van het aantal arbeidsongeschikte werknemers uit het eigen bedrijf. Om technische redenen keek het UWV daarbij 2 jaar terug. Zo was de premie 2013 afhankelijk van het aantal WGA-lasten dat aan het bedrijf kon worden toegerekend in 2011.

Dat alles gaat in 2014 wezenlijk veranderen: vanaf volgend jaar betalen kleine werkgevers voor WGA-vast geen individueel berekende premie, maar een premie die voor alle werkgevers in een bepaalde sector hetzelfde is. Datzelfde gold en blijft gelden voor de WGA-flex en de ZW premie.

Tot en met 2013 betaalden ruim 90% van alle kleine werkgevers de zogeheten minimumpremie voor kleine werkgevers omdat het ontstaan van lasten een ‘alles of niets situatie’ was die gemiddeld slechts een maal in de 10 jaar voorkwam. Bijna alle kleine werkgevers hadden GEEN WGA-lasten en betaalden daardoor de laagste mogelijke WGA-premie: de minimumpremie. Dat was in feite een soort landelijk vaste premie die voor 2013 0,47%. Bedraagt. Dat is tegelijkertijd het ijkpunt om de nieuwe (sector) premies vanaf 2014 mee te vergelijken. Deze sectorpremie kan variëren van 0,1% tot boven 2%.  Voor veel kleine werkgever betekent dat een forse verandering die mogelijk leidt tot nieuwe financiële afwegingen.

Conclusie: kleine werkgevers betalen vanaf 2014 sectorpremies voor WGA-vast, WGA-flex en ZW. Wat betreft het WGA-vast risico, ruilt ruim 90% van de kleine werkgever de ‘ landelijke’ WGA-premie in voor een sectorale WGA premie. Voor veel werkgevers zal dat een ‘aardverschuiving zijn’.

Grote werkgevers

Grote werkgevers zijn werkgevers met een loonsom van meer dan € 3.070.000,-

Grote bedrijven betalen momenteel voor het WGA-vast risico een individueel gedifferentieerde premie. Dat blijft zo. Wat wel veranderd  is de financiering van de WGA-flex  en de ZW-lasten. Deze worden tot en met dit jaar gefinancierd uit de sectorpremies. Vanaf 2014 worden deze premies, net als de WGA-vast premie, individueel gedifferentieerd. Dat betekent dat grote werkgevers vanaf volgend jaar te maken krijgen met 3 individueel gedifferentieerde premies. Totdat deze werkgevers de premiebeschikking van het UWV  krijgen is het lastig om de hoogte van de premielasten in te schatten. Om werkgevers daarbij te ondersteunen biedt het UWV op de eigen website de tool: ‘Premiewijzer gedifferentieerde premie Whk’ aan, waarmee werkgevers zelf een inschatting kunnen maken van de gedifferentieerde premies. Werkgevers moeten daarbij wel nauwkeurig in beeld hebben wat de diverse WGA- en ZW-lasten waren in het verleden.

Grote werkgevers zullen hoe dan ook te maken krijgen met onvoorspelbare en in bepaalde gevallen sterk veranderde lasten vanaf 2014. Het betekent immers nogal wat om voor het WGA-flex en het ZW risico sectorpremies in te ruilen voor een individuele gedifferentieerde premie. Of dit tot hogere dan wel lagere lasten leidt, hangt geheel af van de sector waarin de werkgever zat en de eigen lasten ten opzichte van de landelijk gemiddelde lasten. Het zal duidelijk zijn dat in ieder geval werkgevers in een sector met een relatief lage premie en veel WGA-flex/ZW-lasten, aanzienlijk meer gaan betalen. De maximumpremie voor de 3 risico’s samen bedraagt bijna 4% in 2014. Voor de sector ‘Uitzendbedrijven’ ligt de maximumpremie met circa 11% daar nog een stuk boven. Dat betekent dat de maximale risico’s behoorlijk toenemen.

Conclusie: grote werkgevers stappen voor het ZW- en het WGA-flex risico over van sectorpremies naar individueel gediffentieerde premies. Samen met de al gedifferentieerde WGA-vast premies gaan grote werkgevers vanaf 2014, 3 gedifferentieerde premies betalen. Of grote werkgevers meer of minder gaan betalen hangt af van de sector en de eigen lasten.

Middelgrote werkgevers

Middelgrote werkgevers zijn werkgevers met een loonsom tussen € 307.000 en € 3.070.000,-.

Voor middelgrote werkgevers wordt de financiering nog ingewikkelder. Zij gaan voor een deel sectorpremies en voor een ander deel gedifferentieerde premies betalen. De mate waarin dit gebeurd hangt af van de grootte van de onderneming. Zo betalen werkgevers die in het midden van de klasse middelgroot zitten, voor de helft sectorpremies en voor de andere helft gedifferentieerde premies.

Ook middelgrote werkgevers kunnen een indicatie krijgen van de premie via de genoemde tool van het UWV en de al gepubliceerde sectorpremies. Men weegt vervolgens beide premiesoorten met de ‘mate waarin met middelgrote werkgever is’. Ook hier geldt dat men meer of minder gaat betalen in 2014 afhankelijk van de sector waarin men zit, de hoogte van de eigen lasten en de omvang van de loonsom.

Conclusie: voor middelgrote werkgevers wordt de premiesystematiek het meest ingewikkeld omdat men een combinatie gaat betalen van sectorpremies en individuele premies waarbij de weging van beide premies afhangt van de grootte van de onderneming. Of men in 2014 meer of minder gaat betalen dan in 2013 ia afhankelijk van de sector waarin men zit, de hoogte van de eigen lasten en de omvang van de loonsom.

Eigen risicodragen

De mogelijkheid tot eigen risicodragen bestaat uiteraard al voor het WGA-vast risico. Ook was het al mogelijk om eigen risicodrager voor het ZW-risico te worden. Dat risico heeft betrekking op de lasten van flex-werkers die ziek uit dienst gaan en vervolgens een ZW-uitkering krijgen van het UWV.  Als men vervolgens recht krijgt op een WGA-uitkering, dan gaat het om een WGA-flex uitkering. Voor het WGA-flex risico kan men pas vanaf 2016 eigen risicodrager worden maar dan alleen samen met het WGA-vast risico. 

Ieder half jaar, per 1 januari en 1 juli, kan men aangeven eigenrisicodrager voor de ZW en WGA-vast te willen worden.

Eind 2015 kunnen werkgevers er ook voor kiezen om voor het WGA-flex risico (samen met het WGA-vast risico) uit te treden. Overigens moeten ook de bestaande eigen risicodragers voor het WGA-vast risico dan kiezen of men ook voor het WGA-flex risico uit wil treden. Wil men dat niet, zo heeft de wetgever besloten, valt men voor het gehele risico terug naar het publieke bestel. Dat is inherent aan de keuze dat men alleen voor het WGA-vast en WGA-flex risico gezamenlijk eigen risicodrager kan worden. Belangrijk punt daarbij is dat minister Asscher onlangs besloten heeft dat men voor het WGA-flex risico kan uittreden zonder dat de bestaande WGA-flexlasten (vanaf 2012) zelf moeten worden afgefinancierd. Dat is een terechte beslissing van de minister al was het maar omdat werkgevers in 2012 nog niet wisten dat men verantwoordelijk zou worden voor het WGA-flex risico bij verlaten van het publieke bestel. Had men dat destijds geweten dan had dit invloed kunnen hebben op de destijds gemaakte beslissing om eigen risicodrager WGA-vast te worden en had men maatregelen kunnen nemen om het risico te beheersen.

Voor wat betreft het eigen risicodragen WGA per 2014 geldt voor kleine werkgevers dat men de bestaande lasten niet meer hoeft af te financieren. Dat was tot nu toe wel het geval en was voor kleine bedrijven met lasten in de meeste gevallen een te grote drempel om uit te treden. Die drempel komt dus te vervallen. Dat geldt vanaf 2016 ook voor de ‘staartlasten’ van het WGA-flex risico. Voor eigen risicodragen ZW was al geregeld dat men bestaande lasten niet hoefde af te financieren. Voor het eigen risicodragen ZW, is in tegenstelling tot eigen risicodragen WGA (vast en flex), geen garantstelling nodig.

Premies 2014 en daarna

WGA-vast premie

Zoals blijkt uit de UWV-publicatie daalt de WGA-vast rekenpremie met 0,03% zeer licht tot 0,51%. De daling heeft een administratief-technische oorzaak en is eenmalig. Voor de komende jaren verwacht het UWV dat deze premie gaat stijgen naar een structureel niveau van 0,6% vanaf 2017. Daarbij is van belang dat de correctiefactor zal dalen tot de waarde 1. Voor 2014 bedraagt de correctiefactor nog 1,44. Deze waarde betekent dat de opslagen of kortingen ten opzichte van de rekenpremie worden uitvergroot met een factor 1,44. De rekenpremie zal dus stijgen maar de opslagen en kortingen zullen minder groot worden. De maximumpremie zal op het structurele niveau naar verwachting iets onder 2,4% komen te liggen.

WGA-flex premie

De WGA-flex rekenpremie wordt volgend jaar 0,18%. De correctiefactor bedraagt 2. De WGA-flex premie zal de komende jaren doorgroeien tot in 2022 het structurele niveau van circa 0,5%. Het percentage is in 2014 nog zo laag omdat voor de WGA-flex premie gevallen meetellen die vanaf 2012 zijn ontstaan. Met andere woorden de WGA-flex premie dient ter financiering van WGA-flex uitkeringen in 2014 die betrekking hebben op uitkeringen die zijn toegekend in de jaren 2012, 2013 en 2014. Dat geeft ook het verschil weer met de bepaling van opslagen en kortingen. Deze worden bepaald op basis van de lasten in 2012. In dat (eerste) jaar waren er echter nog nauwelijks lasten.

ZW-premie

De ZW-rekenpremie zal in 2014, 0,34% gaan bedragen. De correctiefactor is evenals bij de WGA-flexpremie begrensd op een waarde van 2. Omdat de ZW-uitkeringen maar maximaal 2 jaar duren, heeft de ZW-premie in 2014 al meteen zijn structurele niveau bereikt.

Begrensde premies

Uitgaande van het structurele niveau van de premie zal de maximumpremie in de toekomst op een waarde van 4,5 tot 5% komen te liggen. De opgetelde minimumpremie zal uitgaande van de wettelijke definitie van 25% van de gemiddelde premie, op een niveau van bijna 0,4% komen te liggen.

Berekening van de UWV-premies 2014

Kleine werkgevers

De sectorpremies zijn in de genoemde UWV-nota gepubliceerd en kunnen dus eenvoudig worden afgelezen. Zo betaalt een kleine werkgever – als voorbeeld - in de sector Bouw de volgende premies:

WGA-vast: 0,89%

WGA-flex: 0,27%

ZW: 0,52

Totaal: 1,68%

Grote werkgevers

De ‘techniek’ van de berekening ofwel de formule is niet veranderd. De individuele premie is gelijk aan de rekenpremie plus een opslag of korting. De opslag of korting is gelijk aan het individueel werkgeversrisico – landelijk werkgeversrisico. De uitkomst daarvan wordt vermenigvuldigd met een zogeheten correctiefactor. De formule is: Individuele premie = rekenpremie + (individueel risico – landelijk risico) x correctiefactor. Voor de volledigheid is de formule voor de correctiefactor: (rekenpremie – minimumpremie) / gemiddelde werkgeversrisicopercentage. Daarbij is de minimumpremie: 0.25 x gemiddelde premie.

Om te laten zien hoe de formule ‘werkt’ en tevens wat de minimumpremies zijn, is ervoor gekozen om voor alle 3 de risico’s uit te gaan van een individueel risico van 0%. Ofwel de werkgever heeft in het zogeheten jaar t-2 (dus 2012 als het gaat om de premies 2014) geen ZW-, WGA-flex- of WGA-vast lasten.

WGA-vast premie:

0,51% +  (0 – 0,27) x 1,44 = 0,12%

WGA-flex premie:

0,18% +  (0 – 0,02) x 2 = 0,14

ZW-premie:

0,34 + (0 – 0,10) x 2 = 0,14

De door het UWV gepubliceerde minimumpremies bedragen voor WGA-vast, WGA-flex en ZW, achtereenvolgens: 0,12%, 0,04% en 0,07%. De hiervoor berekende (werkelijke) minimumpremies voor WGA-flex en ZW liggen boven de vastgestelde minimumpremie. De ‘officiële’ minimumpremie bedraagt 0,25 x de gemiddelde premie. De reden voor de afwijkende minimumpremies is, zoals hiervoor aangegeven dat de correctiefactor voor het WGA-flex en het ZW-risico gemaximeerd is op 2. De werkelijke correctiefactor ligt veel hoger. Als deze zou zijn toegepast dan zouden werkgevers met een 0% wel op de officiële minimumpremie uitkomen.

Middelgrote bedrijven

Zoals aangegeven wordt de premie voor middelgrote bedrijven bepaald door een combinatie van de sectorpremies en de individuele premies. De formule is: sectorpremie x (1 – wegingsfactor) + individuele premie x wegingsfactor. De wegingsfactor = (eigen loonsom – loonsom grens klein) / (loonsom grens groot – loonsom grens klein).

Als voorbeeld wordt uitgegaan van een bedrijf uit de sector Bouw met een loonsom van € 1.250.000,-

Wegingsfactor: (1.250.000 – 307.500) / (3.070.000 – 307.500) = 0,34

De sectorpremies zijn:

WGA-vast: 0,89%

WGA-flex: 0,27%

ZW: 0,52

Uitgaande van een individueel WGA-vast risico van 0,5%, WGA-flex risico van 0,04 en ZW-risico van 0,5%, zijn de individuele premies:

WGA-vast premie:  0,51% + (0,5 – 0,27) x 1,44 = 0,84

WGA-flex premie: 0,18% + (0,04 – 0,02) x 2 = 0,22

ZW-premie: 0,34 + (0,5 – 0,10) x 2 = 1,14%

De totale premies zijn:

WGA-vast: 0,89 x ( 1 – 0,34) + 0,84 x 0,34 = 0,87%

 

WGA-flex: 0,27 x ( 1 – 0,34) + 0,22 x 0,34 = 0,25%

ZW: 0,52 x ( 1 – 0,34) + 1,14 x 0,34 = 0,73%

 

Totale premie: 1,85%

Conclusie

Door de Wet Bezava wordt de financiering van de WGA en de ZW behoorlijk op zijn kop gezet.

Kleine werkgevers betalen voor het WGA-flex en het ZW-risico sectorpremies en voor het WGA-vast risico een indivueel gedifferentieerde premie. De gedifferentieerde premie wordt vanaf 2104 omgezet in sectorpremies zodat kleine werkgevers voor alle 3 de risico’s sectorpremies gaan betalen. Inherent aan sectorpremies kunnen kleine werkgevers eigen risicodrager worden voor het WGA-vast risico zonder dat de bestaande lasten moeten worden afgefinancierd. Voor eigen risicodragen ZW was dat al het geval. Per 2016 kunnen kleine werkgever ook eigen risicodragen worden voor het WGA-flex risico in combinatie met het WGA-vast risico. Ook in dit geval hoeven bestaande lasten niet te worden afgefinancierd.

Grote werkgever betalen voor het WGA-flex en het ZW-risico een sectorpremie en voor het WGA-vast risico een gedifferentieerde premie. Per 2014 worden de sectorpremies omgezet in gedifferentieerde premies zodat grote werkgevers vanaf 2014, 3 gedifferentieerde premies gaan betalen. Voor het WGA-vast risico blijft de situatie bestaan dat bestaande lasten moeten worden afgefinancierd. Voor eigen risicodragen ZW was dat niet het geval. Dat blijft zo. Vanaf 2016 is eigen risicodragen WGA-flex mogelijk in combinatie met het WGA-vast risico. Voor het WGA-flex risico heeft de minister besloten dat bestaande WGA-flex lasten vanaf 2012 bij het eigen risicodragen niet hoeven te worden afgefinancierd.

Middelgrote bedrijven betalen afhankelijk van hun omvang momenteel sectorpremies of individuele premies. Vanaf 2014 betalen middelgrote bedrijven een combinatie van sectorpremies en individueel gedifferentieerde premies. Voor het eigen risicodragen ZW hoeven ook deze bedrijven geen bestaande lasten af te financieren. Bij eigen risicodragen WGA-vast moeten bestaande lasten gedeeltelijk worden afgefinancierd, afhankelijk van de bedrijfsomvang. Voor eigen risicodragen WGA-flex geldt hetzelfde als voor grote bedrijven namelijk dat de WG-flex lasten vanaf 2012 niet hoeven te worden afgefinancierd.

Het wordt steeds belangrijker om een compleet dienstenpakket te hebben voor de integrale 12-jaars re-integratieketen.  Dienstverlening gericht op preventie en re-integratie en op het verlagen van de kosten van de werkgever door bijvoorbeeld kritisch te kijken naar de claimbeoordeling door het UWV of het tijdig laten uitvoeren van herbeoordelen, het ondersteunen van de werkgever in situatie waarin de arbeidsongeschikte (ex) werknemer niet voldoende meewerkt aan zijn herstel, worden steeds belangrijker.

AdFizBijmans Assurantiën is aangesloten bij Adfiz:de branchevereniging
van onafhankelijke financiële intermediairs in Nederland
© 2012 | disclaimer